woensdag 30 januari 2013

Urban life anno nu




Ondertussen vertoeft tante al bijna twee decennia in het schone Leuven. Of, zoals haar moeder dat zo mooi placht uit te drukken “ze heeft er heel wat stapjes liggen”. En zo komt het dat een wandeling door de stad meteen ook een beetje een wandeling door de herinnering is. Want ja, daar ging ze als student uit, daar kwam ze met de theekopjes toen ze nog ukjes waren, en daar, is ze onlangs op een ijsrijke dag van haar fiets gedonderd, au!

Eigenlijk heb je twee soorten steden. Enerzijds de geplande stad, van stedebouwkundigen en ruimtelijke ordelijken. Die van bovenaf plannen, structuur geven, grote lijnen trekken. En dan is er die tweede stad, de geleefde stad, stad van herinneringen, van linken naar mensen en gebeurtenissen. Stad van ervaring en van doelloos slenteren.

En in die tweede stad, vol mijmering en gedachten, kan het soms gebeuren dat één plaats meerdere betekenislagen krijgt. Het stadspark bijvoorbeeld is zowel de plaats waar tante op zomerse dagen zat te studeren, waar ze met vriendinnen ijsjes ging eten en met de kinderen ging frisbeeën. En ze maakte er ook eens een geweldig optreden mee. Tijdens een wandeling door het park buitelen die herinneringen over elkaar heen, en vliegen weg als tante het groen achter zich laat.

Felix, één van de hoofdpersonen uit het boek dat tante deze week las, had een gelijkaardige ervaring aan een Londons bushokje.


Terwijl hij op de bus staat te wachten moet hij denken aan die keer toen hij als vijfjarige de bus nam bij diezelfde halte: opeens ging er een wereld voor hem open. Later viel hij er eens in een zatte bui in slaap. En nog niet zo lang geleden kwam hij de liefde van zijn leven tegen aan dezelfde bushalte. Maar kijk! Daar komt de bus, de gedachten waaien weg, Felix stapt op, zijn noodlot tegemoet

Met NW heeft Zadie Smith een krachtig beeld geschetst van het rusteloze leven in de hedendaagse stad. Waar mensen doelloos kunnen zijn, elkaar voorbijlopen of in verwarring meanderen door stegen en kronkelstraatjes. We volgen drie hoofdpersonen op hun weg door de stad, via een soort energetische stream of consciousness wisselen ze snel van gedachten en perspectief. Toch even wennen.

Zoals altijd houdt Zadie wel van een beetje taalexperiment. Ze wisselt stijlen af, varieert met invalshoeken en biedt ons af en toe een visueel grapje, zowaar. Toch vond ik dit niet haar beste boek. Het is een boek met hoge toppen (het bushokjesmoment) maar evenzeer met diepe dalen. En hoewel tante eigenlijk een fan is van onze Zadie, was ze af en toe wat geïrriteerd en overwoog ze even om er de brui aan te geven.

Waarom, vroeg ze zich af? Is het omdat dit boek haar teveel uit haar comfortzone haalt? Haar confronteert met doelloze levens, marginaliteit en een hopeloosheid die ze zelf niet kent? Waar mensen niet in staat zijn om echte relaties aan te gaan en elkaar bijzonder veel pijn doen uit pure onverschilligheid?

Tragisch mooi was het verhaal van Nathalie. Een self made women die vanuit de achterbuurt opklimt tot advocaat, maar uiteindelijk ten onder gaat omdat ze “toch de chaos nodig heeft”. Echt om even stil van te worden. Maar aan de andere kant zijn er bijna choquerende passages met gevoelloze seks en zinloos geweld.

Kortom: een boek waar tante mee worstelde. Waar ze zich soms thuis in voelde, en soms in verloren liep. Een beetje zoals het leven in de grootstad zelf, anno nu.

zaterdag 26 januari 2013

Empathie


Af en toe droomt tante van een rustig huis. Een kibbelvrije zone. Een oase van peis en vree. Met twee minderjarigen in de woonstede is dat echter een illusie. Maar wat de betrokken jonge luiden al een aardig eindje op weg zou kunnen helpen is de vaardigheid empathie. Inlevingsvermogen, ja, ja.

En dat medegevoel bestaat in gradaties. Zo is het voor de theekopjes een koud kunstje om mee te voelen met een snoezig katje of piepkleine potloodjes (“nee, niet weggooien, die zijn al zo lang bij ons”). Meevoelen met een broer of zus, is minder vanzelfsprekend (en soms totaal afwezig). En dan heb je nog de hoogste graad van compassie: een abstracte vorm van bekommernis met wie je niet direct ziet, genre “de arme kindjes”. Moeilijk.

Dat ook volwassenen, die doorgaans prat gaan op hun moreel gevoel, het lastig hebben met die laatste categorie, komt vlijmscherp aan de orde in dit boek van M. Februari:


In dit boek strijken we neer in welvarend en weldenkend Nederland. Plaats van actie: een snobistisch dorp vol villa’s, dure wagens en hermessjaaltjes. Zo’n oord waar de elite even tot rust wil komen met een glas sherry en een dikke sigaar. Rustiek gehuld in kaplaarzen van het duurste merk, een loden overjas en als het even kan een hoed met veer. U ziet het vast helemaal voor zich.

En een dorp met een boekenclub. Ah, zucht u nu, hoe sympathiek. Mja. De leden van de club zijn geslaagde rijkelui. Denk: bankier met jonge vrouw, advocaat, tandarts en universiteitsprofessor. Zij gebruiken “de literatuur” vooral om hun eigen blazoen op te poetsen. Want anno 2007 kon je al weldenkend burger niet om cultuur heen (tegenwoordig blijkbaar wel in Nederland, maar dat is een andere kwestie).

Officieel lezen zij om zichzelf te herkennen en te verheffen. Pulp wordt niet gelezen. Tot er een boek verschijnt van een dorpsgenote. Een dochter van iemand die ooit lid was van de leesclub bovendien. Iemand die de hooggestemde lieden graag zouden willen vergeten. Een blad dat ze willen omslaan. Want, ja, in het verleden is het een en ander misgegaan. De lezers hebben bloed aan hun handen, ….

Tante vond dit boek bijzonder amusant. Het is immers goed geschreven en het neemt de elite genadeloos op de korrel. Dat is in de recente Nederlandse literatuur trouwens een opvallend terugkerend thema. Denk Het diner (ironischer en grappiger) of Bonita Avenue (ranziger): maar allen in dezelfde sfeer: geslaagde types op hoge posten, waaronder uiteindelijk een soort beerput schuilgaat, vol onwelriekends.

Het verhaal van Februari blijft niet de hele tijd boeien, moet tante toegeven. Iets te dun? Of iets te uitgesponnen? Maar tante is blijven lezen omwille van de meer bespiegelende terzijdes. Die zijn echt goed! Hoe we bijvoorbeeld geen eigen verlangens meer hebben, maar hoe onze verlangens door de media gemanipuleerd zijn. Hoe mensen op hoge posities soms enkel een talent hebben voor het bemachtigen van een postje. Eens ze er zitten, vallen ze stil. Of hoe we mensen zouden moeten afremmen in hun consumptiedrift.

En natuurlijk het centrale morele dilemma. Hoe makkelijk het is om rationeel abstractie te maken van mensen aan de andere kant van de planeet. Beangstigend makkelijk, als je er zelf aan kunt verdienen.

Niet zo fraai dus. En een reden te meer om bij de theekopjes te blijven hameren op empathie. Ja ook voor de zus. Of de broer….

maandag 21 januari 2013

Tantes mantra’s



Zoals iedereen tegenwoordig heeft tante het druk-druk-druk! Maar tante waakt erover dat ze af en toe de haast terzijde schuift. En dat doet ze door op tijd en stond zenbevorderende zinsnedes te berde te brengen. Noem het mantra’s, al komt er geen monotoon geneurie of lotushouding aan te pas.

Zo is er de zin “niet alles hoeft nu meteen!”, heel doeltreffend om energieke theekopjes af te remmen. Voor zichzelf bezigt tante dan weer het motto: “ me opjagen is ver beneden mijn niveau”, helpt vaak (behalve als je een trein moet halen, maar soit.) En omdat alle goede dingen steeds uit drie bestaan, luidt de derde leuze: “wat is nu de essentie, en wat is ballast?” Kwestie van hoofd en bijzaak af en toe eens duidelijk van elkaar te onderscheiden. Geen overbodige luxe in tijden van informatie-overload.

Buitengewoon mindful dus, die zinnen, en deze week waren ze alle drie volop van toepassing op het boek dat tante las. Want dit is een boek dat geen haast verdraagt, maar dat je traag moet lezen. Een boek ook dat je af en toe eens weg moet leggen om erover na te denken: niet alles in één klap uitlezen dus. Bovendien reikt het vaak naar de essentie van ons menselijk bestaan. Kortom: een echte aanrader voor meerwaardezoekers:




Dit boek heeft werkelijk alles! Een goed geschreven, meeslepend verhaal en fijne filosofische bespiegelingen. Vaak is een boek het één of het ander, Mercier combineert magistraal.

Om met het verhaal te beginnen. Raymundus Gregorius (alias “De Payprus”) doceert al sinds jaar en dag klassieke talen op een chique lyceum in Bern. Zijn leven bestaat uit teksten, oude talen en zeldzame woorden, die hij met graagte ontcijfert in de rust van zijn studeerkamer. Tot de dag waarop hij een mysterieuze Portugese vrouw ontmoet en een heel bijzonder boek in handen krijgt. Zonder boe of ba laat Gregorius alles achter, verlaat zijn stomverbaasde leerlingen en besluit de trein te nemen naar Lissabon.

Daar wil hij Portugees leren om het intrigerende boek dat zijn pad heeft gekruist verder te lezen. Het getuigt immers van zoveel levenswijsheid en diepgang, dat het zijn leven radicaal in vraagt stelt. Raymundus gaat op zoek naar de auteur , en naar alwie hem heeft gekend. En zo ontrafelt hij een bijzonder leven.

Amadeu de Prado was een arts, die gebonden door de eed van Hypocrates op een dag een beul genas. Door zijn plicht te doen, viel hij in ongenade bij zijn patiënten, iets waaronder hij zwaar geleden heeft. Om het goed te maken en het leed te compenseren, raakte hij betrokken bij het verzet tegen Salazar. Daar kwam hij voor de hartverscheurende keuze te staan tussen liefde, vriendschap en loyaliteit. Tegelijkertijd moest hij leren omgaan met zijn eigen aangekondigde dood. Een gelaagd verhaal, waarvan we via de verschillende getuigen steeds andere facetten en nieuwe perspectieven leren kennen.

Maar daartussen verweven prachtige zinnen en inspirerende bespiegelingen. Over hoe veel we eigenlijk praten zonder iets te zeggen en zonder naar elkaar te luisteren. Over hoe ouders stempels drukken op hun kinderen, en hoe de angst voor de dood vooral de angst is voor een onaf leven. En hoe we in het reine kunnen komen met die onvoltooidheid van ons bestaan door gewoon tevreden te zijn met wat we hebben, zonder ons te onderwerpen aan “het gerechtshof van de anderen”.

De trein uit de titel is een magnifieke rode draad in het verhaal. Niet alleen omdat het een trage manier van reizen is, die veel ruimte laat voor nadenken (en lezen). Ook omdat Prado de trein gebruikte als metafoor voor het leven: een trein die steeds maar verder dendert, tot we op een bepaald moment moment beseffen dat we er niet meer af kunnen stappen, en dat we misschien iets kostbaars op het perron hebben laten staan.

U snapt het al: tante zette vele potloodstreepjs in de marge van dit boek. En vindt het nu moeilijk om daaruit voor u het beste te destilleren. Ze kan u dus alleen maar aanraden het boek zelf te lezen. Langzaam en met aandacht. Tante zelf neemt zich alvast voor dit boek over vijf jaar te herlezen en ondertussen aan NIEMAND uit te lenen. Sommige boeken zijn nu eenmaal gewoon te goed om zomaar uit handen te geven!

maandag 14 januari 2013

Dappere dames


De opvoeding der theekopjes is geen sinecure. Neem nu het adagium “wat gij niet wil dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”. Een constante uitdaging! Empathie is blijkbaar écht aangeleerd.

Of een andere heikele kwestie: uitleggen waarom je niet altijd je eigen zin kan doen. Dat mensen rekening moeten houden met elkaar, anders wordt het een chaos. En dus zijn er regels nodig. En afspraken. En moeten kindjes luisteren, binnen de lijntjes kleuren en in de pas lopen. Wel zo makkelijk.

Nu wringt daar natuurlijk ook wel meer dan één schoentje. Wat we willen van de theekopjes nu ook weer geen makke schapen maken. Noch robotjes. Integendeel! We willen hen opvoeden tot fijne mensen. Die niet de regel om de regel volgen. Die zich wel eens afvragen of die bepaalde regel wel zo’n goed idee was, achteraf gezien. Die zich waar nodig verzetten, omwille van de goede zaak. En die daarbij hun eigenbelang even opzij kunnen zetten voor het algemeen belang.

Zoals de hoofdpersonen (op een wel heel extreme wijze) deden in het boek waar tante deze week zo van smulde:


De citadel in dit boek is geen oeroud monument. Noch een middeleeuws bolwerk. Het gaat om een vrouwenverzetsgroep in Zuid-Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dappere dames dus, die hun leven op het spel zetten, moed en opoffering tonen opdat anderen vrij zouden zijn.

Zoals vele boeken over de Tweede Wereldoorlog is dit een verhaal van menselijke wreedheid. Steeds weer schrikbarend hoe dun het laagje beschaving soms maar is. Er vloeit dus veel bloed. En er suizen heel wat kogels langs ons heen. Ook wordt er heel wat door donker struikgewas heen gekropen, codetaal gesproken en er ontploft ook af en toe een bom. Achtervolgingsscènes, martelingen en verlies, het zit er allemaal in. Net als een flinke scheut romantiek om het één en ander te compenseren.

Centraal staat het grote dilemma: mag je bloedvergieten om moorden te stoppen? Kan je verzet plegen zonder geweld? En hoe onschuldig ben je zelf als er tijdens goedbedoelde acties nodeloos veel doden vallen? Nee, verwacht geen Disneyversie van heldenmoed. Hier worden ook fouten gemaakt. Hier sterven ook goede mensen. En hebben de slechteriken ook zachte kantjes. In tijden van oorlog is niets zwart-wit.

Kate Mosse voegt aan dit straffe verhaal een tweede lijn toe. Namelijk die van een vierde-eeuwse monnik die in woelige tijden op pad is met een geheime codex. Een gevaarlijk document want vol van magische krachten. Hij verstopt deze codex in de bergen en gaat samen met de bewoners van de streek de strijd aan tegen vreemde bezetters. Net als de dames doen zo’n 1500 jaar later. Beide verhaallijnen raken met elkaar verweven als de verzetsgroep op zoek gaat naar de codex.

En Kate Mosse zou Kate Mosse niet zijn als ze er nog een flinke scheut magisch realisme aan zou toevoegen. Al was die etherische context minder aanwezig (en dus ook minder storend) dan in haar vorige boeken. De verzetsgroep uit de jaren ’40 kan met de codex namelijk een leger van geesten oproepen dat hen bij zal staan in de strijd tegen de bezetter. Een magische spreuk wekt immers alle doden op die in hun tijd gestreden hebben tegen onrecht en hun leven hebben gegeven uit liefde voor de anderen. Dit leger van duizenden geesten kan er uiteindelijk voor zorgen dat het goede zegeviert.

Maar dan zijn we al helemaal aanbeland bij het einde van het verhaal. En de weg daarnaar toe is juist zo heerlijk geschreven. Vlot leesbaar, met soms net iets te veel details om de eigen fantasie nog helemaal aan het werk te zetten. Maar na een paar erg moeilijke boeken was dit echt even heerlijk ontspannen voor tante. En, OK, de verhaallijnen pasten misschien net iets te mooi in elkaar. Maar zoals gezegd, het werd nooit te zoet of te pastelkleurig, gelukkig maar.

En toch was het vooral de epiloog die tante met verstomming sloeg. Want wat blijkt? De inzet van zovele vrouwen in de Tweede Wereldoorlog is systematisch onder de mat geveegd. De mannen gingen lopen met de eer en de medailles, de dames die eveneens hun leven gaven voor de vrijheid, werden zelden herdacht of beloond. En zo wordt een gewoonweg heerlijk lezende roman toch nog een eerbetoon aan al die moedige vrouwen. Die wel verder konden kijken dan hun eigenbelang. En die niet onverschillig bleven toen het helemaal fout dreigde te gaan met de wereld.

Inspirerend. Want, vraagt tante zich af, zou zij het lef hebben gehad de regels te breken en haar eigen belang radicaal opzij te schuiven? Of zou ze toch binnen de lijntjes hebben gekleurd? Gelukkig hoeft ze de proef niet op de som te nemen. Haar uitdaging beperkt zich tot de opvoeding der theekopjes. En dat is ook al een hele klus.

donderdag 10 januari 2013

Voor doorzetters (en mindmappers): de leesclub leest Yourcenar




Ja, ja beste mensen, dit wordt een gewichtig blogje! Dat zie je meteen aan de blik hè? Serieus! Gewichtig! Diepgravend! U bent bij deze gewaarschuwd.

Onze leesclub gaat ondertussen alweer de vijfde jaargang in, hoezee! En dan mag de lat al eens hoog gelegd worden. Met “hermetisch zwart” van Marguerite Yourcenar kozen we voor een wel heel erudiet werkstuk. Een hele kluif. En omdat tante goed beslagen ten ijs wilde komen (en ook omdat ze grip wilde krijgen op de verschillende lagen van het boek) toog ze aan het mindmappen. Een ideale manier om snel een aantal rode draden in kaart te brengen. (En om leesclubleden te imponeren…) We kunnen het iedereen aanraden. En het ziet er nog leuk uit ook (vinden wij):



Het boek neemt ons mee naar de zestiende eeuw. Donkere tijden vol religieus fanatisme, zo blijkt. Met enge ziektes, vreselijke martelingen en publieke terechtstellingen waar je maag van omkeert. Een tijd waarin er heel wat gekonkelfoesd wordt aan de hoven van de Habsburgers en de pausen. Maar ook de tijd van het humanisme, de hergeboorte van de ideeën uit de oudheid. Van het ontstaan van nieuwe wetenschappelijke experimenten en gedachtenoefeningen. Van de verdere verspreiding van het boek en van….poedels, want die bleken zowaar ook in de zestiende eeuw al rond te huppelen.

In die context leeft Zeno, een Vlaamse arts uit Brugge, die er wel heel radicale ideeën op nahoudt. Zo gelooft hij niet in God en wil hij zijn wetenschappelijke methodes baseren op observaties en experimenten. Hij weigert zich te binden aan een maecenas, maar wil vrij blijven, zodat hij ook vrij kan denken. Hij wil het liefste beginnen met een tabula rasa: niets voor waar aannemen en puur op basis van de rede een argumentatie opbouwen. Religieuze dogma’s zijn dan ook zijn grootste vijand, de pure rede zijn grootste vriend. Combineer dit met zijn homoseksualiteit en zijn begrip voor zelfmoord en u snapt meteen waarom hij in de loop van het boek uitgroeit tot staatsvijand nummer één.

Tot hier het verhaal. Maar we stelden vast dat je het boek eigenlijk niet voor het verhaal moet lezen. Laten we namelijk eerlijk zijn: Yourcenar is gewoon niet zo’n goede verteller. Meegesleept werden we niet en inleven in de personages was er niet echt bij. En er waren ook wel een storend aantal losse eindjes die Marguerite beter stevig had vastgeknoopt. Historisch gezien gaat ze hier en daar ook stevig uit de bocht (de Belgische staat in de 16de eeuw) en daar kunnen de historici in de groep natuurlijk niet om lachen… Tja.

Niet echt een verhaal dus. Geen historische studie. Maar, wat is het boek dan wel? Een soort patchwork van filosofische ideeën, vonden wij. Van prachtige passages over hoe het is om mens te zijn. Schitterende ingevingen over bijvoorbeeld de schoonheid van het menselijk oog en de kracht van de zee. Vol spitante discussies over goed en kwaad, de rol van de rede, over de impact van leermeesters en het geloof in wonderen. Er zitten echt prachtige stukken in. Vaak om even bij stil te staan en te herlezen, want gevat in scherpe taal en een verbluffende argumentatie.

Geen boek dus dat je één, twee, drie uitleest. En we moeten dan ook eerlijk bekennen dat de meerderheid van de club er niet in geslaagd was veel verder te komen dan deel één. Wij snappen dat, want het eerste deel is een soort heel langgerekte aanloop, waarin Zeno van hot naar her Europa rondreist, heel veel mensen ontmoet en heel veel meemaakt. Dit alles op een drafje verteld, zodat het je duizelt. De pret begint eigenlijk pas in deel twee, als Zeno neerstrijkt in Brugge. Zijn wereld wordt kleiner en hij kan het één en ander overdenken. In het derde deel is hij opgepakt door de inquisitie en zit hij in de cel. Deze beperkte speelruimte dwingt hem de essentie van zijn leven en zijn opvattingen onder woorden te brengen en te verdedigen. Boeiend.

Yourcenar schreef dit boek in heel veel verschillende fasen in de loop van dertig jaar. Dat merk je dus ook aan de losse eindjes en het patchworkeffect. Ze publiceerde het uiteindelijk eind jaren zestig. De grimmige sfeer in het boek weerspiegelt wellicht de context van de koude oorlog. Haar radicale ideeën over homoseksualiteit, euthanasie en vrijdenken moeten in die periode behoorlijk schokkend en opzienbarend zijn. En waarschijnlijk verklaart dat ook waarom dit boek destijds zoveel prijzen in de wacht sleepte.

Wij, leesgroepladies, vrezen echter dat dit vandaag niet meer zal lukken. Het boek is namelijk wel erg erudiet en doorwrocht. En waar Umberto Eco met dit soort elementen echt uit de voeten kan, blijft het boek van Yourcenar wringen. Het is een heel werk om het door te nemen en je eigen te maken. Hermetisch dus. En ook best zwart.

Was het de moeite? Ik dacht eerst van niet. Maar na de mindmap-extravaganza en de discussie met de andere lezers moet ik toch bekennen dat het wel eens fijn is om je hersens zo te laten knarsen en knetteren. Maar voor dat ik definitief een even gewichtig gezicht opzet als bovenstaande kikvors, ga ik nu echt even uitblazen met wat lichtere kost!


zondag 6 januari 2013

Veranderingen



Dit is Jan. Ouwe Jan. Al eeuwen trotseert hij de zwaartekracht. En hij wint. Nog steeds.

De Ouwe Jan is één van de markante torens van Delft. En dat is dan weer de geboorteplaats van tante. Waar zij ondertussen alweer een decennium niet was geweest. En die ze derhalve tot welhaast mythische proporties had opgeblazen. En walhalla van Vermeer, koningshuizen en Delfts Blauw. Een paradijs van zeventiende-eeuwse grachten waar wetenschappers als Hugo Grotius en Anthoni Van Leeuwenhoeck eertijds grenzen verlegden.

Hoog tijd dus om weer eens polshoogte op te nemen, dacht tante. En dus reisde ze deze kerstvakantie nog eens af naar haar geboortegrond. Om de theekopjes eens te laten zien waar hun gekke moeder eigenlijk vandaan komt. En om de sfeer van weleer op te snuiven.

Veel was inderdaad hetzelfde gebleven. De Oude Jan balanceerde nog steeds. De grachten waren prachtig en het stadhuis kon nog steeds op tegen haar grote zus in Antwerpen (van dezelfde architect!).

Maar toch werd het geen tijdreis, want er was ook zoveel veranderd! Vele gezellige kleine winkels maakten plaats voor grote ketens. Vertrouwde namen op de deurbellen waren verdwenen en nieuwe beeldhouwwerken sierden de straten. Ja, wat wil je, Delft is een levende stad en geen museum.

Heraclitus wist het al: “panta rei”, alles verandert. En dus loop je geen twee keer door dezelfde stad. Alles bij het oude houden gaat niet. Al zouden sommigen dat wel graag willen, zoals de hoofdpersoon uit dit boek dat meereisde naar Delft:





Vlak na de oorlog strijken we neer in Hongarije. We maken er kennis met een groep studenten die in Boudapest studeren maar allemaal uit hetzelfde dorp afkomstig zijn. Ze vieren nieuwjaar en worden verliefd. Vooral Atilla, Till voor de vrienden. Die dol is op Orsola. Het leven is zoet, de toekomst lacht hen toe.

Maar, niets blijft hetzelfde en mensen veranderen. Zeker in extreme politieke tijden die Hongarije steeds meer onder invloed van de Sovjet Unie brengen. Een groot deel van de eens zo idealistische vriendenkliek gaat uiteindelijk mee in de stroom. Er moet immers geld worden verdiend, monden gevoed. En dus transformeren ze tot doodgewone huisvaders en moeders, die vooral willen overleven. Niemand blijft eeuwig jong.

Deze algemeen herkenbare verhaallijn van verloren illusies en de realiteit van het leven raakt verstrengeld met het noodlottige verloop van de liefde tussen Till en Orsolya. Door politieke omstandigheden moet Till zijn studie afbreken. Zijn wereld wordt steeds kleiner en hij focust zich steeds meer op Orsolya. Zij staat symbool voor de vrijheid en de idealen die hij eens had. De liefde wordt een obsessie en Till verandert in een stalker die Orsolya geen ademruimte geeft. Heel boeiend hoe deze metamorfose van sympathieke aanbidder tot lastpost wordt omschreven. Al is Orsolya zeker niet helemaal onschuldig in dit gebeuren.

Onderliggend aan deze verhaallijnen loopt de geschiedenis van Hongarije. Die tante niet beheerst. Ze kan nog volgen als de Duitse familie van Orsolya alle bezit kwijtraakt. En als Orsolya uiteindelijk voor een huwelijk met een communistische partijbons kiest. Maar alle andere onderhuidse allusies heeft tante gewoon niet gesnapt. Rubin omschrijft deze namelijk indirect (de censuur indachtig)en daar hebben we moeite mee. Misschien leven we in te expliciete tijden tegenwoordig en kunnen we niet meer goed tegen omfloerstheid?

Een vierde verhaallijn die tante intrigeert, maar die ze niet meteen zo goed kan plaatsen, is dat 80% van het verhaal zich afspeelt in een voertuig. De bus die de studenten naar de stad voert, een trein die hen later weer tuis brengt, een boot waarop ze een cruise maken, een taxi, een motorfiets en ook, helemaal op het einde een vliegtuig. Moet dit de groeiende afstand tussen de voormalige geliefden uitdrukken?

Of wil het wijzen op het feit dat de hoofdpersoon uiteindelijk steeds terugkeert naar zijn geboortegrond. Omdat daar zijn wortels liggen en hij alleen daar antwoorden kan vinden? Maar ook hij moet vaststellen dat het dorp van zijn jeugd onherroepelijk veranderd is. Ja, ja, panta rei….

woensdag 2 januari 2013

Verlichting




Visite, visite, een huis vol visite! Ja, tante is dol op bezoek. Ondanks alle stress en zenuwen de ze van te voren moet doormaken. Koken voor grote groepen is nu niet meteen tantes cup of tea. Taarten en cakes bakken daarentegen wel. En het een compenseert het andere, zo is het maar net.

Maar eigenlijk gaat het niet om het eten. En zelfs niet om te thee. Maar wel om een huis vol vrienden. Gezellige gesprekken, over koetjes en kalfjes, over werk en kroost of over boeken. En af en toe ook eens over geschiedenis. Zo kwamen laatst de oude Grieken en Romeinen nog uitgebreid ter sprake, de filmgeschiedenis passeerde de revue en de Vlaamse primitieven werden bewonderd. Op zulke momenten gonst het in tantes huis van de nieuwe ideeën, en daar knapt en mens enorm van op.

Tante staat op dit punt niet alleen. Ze heeft zielsverwanten in de 18-de eeuw. Baron d’Holbach bijvoorbeeld. Tot voor kort een nobele onbekende, maar wel degene die in zijn Parijse Salon de meest verlichte denkers samenbracht. Diderot, Rousseau, Hume en d’Alembert kwamen er allemaal over de vloer. Holbach serveerde hen edele gerechten en met de smakelijke wijnen vloeiden ook de grensverleggende gedachten rijkelijk.

Philipp Blom, die tante al eerder entertainde met de woelige jaren 1900, brengt deze groep vrienden weer tot leven in onderstaand boekwerk:


De verlichte denkers die Holbach rond zijn tafel verzamelde hadden gevaarlijke ideeën. Moesten ze deze in het openbaar hebben verkondigd, het zou hen de kop hebben gekost. Maar in de beslotenheid van de eetkamer kon het allemaal wel.

De betrokken heren trokken immers de bestaande orde in twijfel. Waren niet alle mensen in feite gelijk? Was er geen alternatief denkbaar voor de absolute monarchie? En zou het land niet veel beter af zijn zonder de dominantie van de kerk?

Diderot en d’Alembert zetten een zeer gewaagde stap met de publicatie van hun Encyclopédie. Revolutionair was de alfabetische volgorde: alle onderwerpen waren gelijk want lemma’s over militaire victories en ambachtslieden stonden op gelijke hoogte. Het koningshuis en de kerk kregen amper aandacht, tenzij in (bedekte) negatieve zin.

Beïnvloed door voorlopers als Descartes en Spinoza betoogden de verlichte denkers dat God op zijn best samenviel met de natuurkrachten. Hij had geen grip meer op wat er op aarde gebeurde. Bidden en smeken had dus geen enkele zin. En zodoende, betoogden zij, kon hij net zo goed in de coulissen verdwijnen. En zo werden de vrienden steeds meer atheïst.

Maar ééntje deed niet mee. Jean-Jacques Rousseau. Zijn denken week steeds meer af van de puur rationele, mechanische en materialistische opvattingen van de Holbachkliek. En dat leidde uiteindelijk tot een breuk en veel moddergooien over en weer.

Want ja, ook grote denkers waren gewoon mensen. Met kleine kantjes en lange tenen. Blom wisselt op aangename wijze sterk filosofische hoofdstukken af met faits divers. Zo blijft het boek uiteindelijk licht verteerbaar, al moet je op een aantal passages wel even flink knagen.

Want hoe het nu precies zat met het evenwicht tussen passie en rede, daar worstelden de heren nogal mee. En dat leverde de nodige spitsvondigheden op. Ook over de vraag hoe de ideale staat er moest uitzien, liepen de meningen uiteen. Diderot wilde zijn ideeën wel eens in de praktijk omzetten aan het hof van Catharina De Grote, maar kwam van een koude kermis thuis.

Het is verrassend hoe modern en vooruitstrevend de “eetclub” van Holbach was. Maar toch zijn ze bijna vergeten. Hun ex-tafelgenoot Rousseau won immers het pleit en oefende grote invloed uit op de Franse Revolutie en de Romantiek. De verlichte denkers verdwenen op de achtergrond. En veel van hun ideeën zijn ook nu nog te radicaal.

Zo friste tante tussen heel wat kerst- en nieuwjaarsmaaltijden door haar kennis van de filosofie weer wat op. Het was een boeiend uitstapje naar het 18de-eeuwse Parijs: dat smaakt zeker naar meer!