donderdag 25 april 2013

Virginia Woolf: een leven schrijven



 Hoe Alexandra Harris in een beknopte biografie de belangrijkste patronen uit Virginia Woolfs leven zichtbaar maakt en zo zin geeft om Woolfs werk verder te verkennen.

goede introductie op een boeiend leven
Who’s afraid of Virginia Woolf? Theetante. Althans een beetje. Want vroeger bij haar thuis stond Virginia op een voetstuk. En bezochten we de huizen waar ze heeft gewoond. Virgina was buiten categorie, grote klasse en dus iets om pas te lezen “als je groot bent”.

Ondertussen heeft tante met plezier Mrs Dalloway gelezen, maar de koudwatervrees bleef. En zo cirkelde ze een beetje rond Virginia heen, door boeken te lezen als The Hours, Naar de rivier en recent nog Vanessa enVirginia

Tantes collega en bureau-eilandgenoot kon het niet meer aanzien en bracht de nieuwe biografie van Alexandra Harris voor haar mee. Lees dat maar eens, was de opdracht, alle boeken van Virginia komen aan bod en zo kan je de knoop wel doorhakken.

En inderdaad, dit is een fijne introductie tot het werk van Virginia Woolf. En tot haar leven. En over de relatie tussen schrijven en leven. In dit blogje daarom even vier rode draden over een leven schrijven (al had tante er gerust nog andere draden uit kunnen trekken)



1.       Een leven lang schrijven: werken en rusten

Misschien wel het meest pakkend en ontroerend in dit boek is de relatie tussen Virgina en haar man Leonard.  Zelf rusteloos en creatief vond ze een stabiele basis bij Leonard. Hij zorgde heel liefdevol voor haar en remde haar regelmatig af als ze dreigde door te schieten. Virginia was immers manisch depressief en heeft in haar leven verschillende zware inzinkingen meegemaakt. Leonard bracht rust. 

Het koppel verhuisde naar het platteland en daar leefden ze volgens een vast patroon: ’s ochtends schrijven, ’s middags wandelen en ’s avonds lezen. Na haar 40ste wordt Virginia verliefd op de ravissante Vita, maar uiteindelijk beseft ze zelf dat een stormachtige affaire haar geen deugd zal doen. En dat ze Leonard als stabiele factor echt nodig heeft. Een prachtig, gebalanceerd liefdesverhaal over hoe Virginia het schrijven in haar dagelijks leven een vaste plaats kon geven, zonder al te veel te lijden onder haar ziekte. 

2.       Het eigen leven schrijven: autobiografische elementen

Virginia groeide op in een erudiet gezin. Haar vader was historicus en schreef dikke boeken over koningen en prinsen. Haar moeder stierf toen Virgina erg jong was, en niet lang daarna stierven ook nog een zus en een broer. Behoorlijk traumatisch voor de toekomstige schrijfster. Als ook haar vader overlijdt staat ze er met haar zus Vannessa min of meer alleen voor. Een drama, maar ook het begin van iets helemaal nieuws. Zeer onconventioneel gaan de zussen alleen wonen en verzamelen ze een schare creatieve vrienden om hen heen: de Bloomsbury group was geboren.

Harris geeft heel mooi weer hoe Virginia uit haar eigen ervaringen put als ze haar grote romans schrijft. En hoe ze ook nauwgezet een dagboek bijhoudt. Pas op het einde van haar leven waagt ze zich aan een echte autobiografie, en dan blijkt dat ze haar verleden nog helemaal niet heeft verwerkt. En dat wordt, samen met de oorlogsdreiging, uiteindelijk haar ondergang.

Virginia was best  optimistisch, dat had tante niet verwacht!


3.       Het leven beschrijven: kan men een ander ooit vatten?

Misschien wel de grootste uitdaging die Virginia Woolf zichzelf stelde was dat ze het leven wilde beschrijven zoals het echt op een individu overkomt. Niet het leven van grote lijnen, bewuste beslissingen en vaste kaders, maar het immers zoemende en steeds verspringende bestaan. Want, hoe zien we anderen? Vooral toch als een optelsom van indrukken, waar we met onze eigen fantasie een min of meer coherent geheel van maken.  In haar boeken dus personages die niet helemaal zijn wie ze lijken, of die we enkel via een omweg (bv. hun bezittingen leren kennen). Harris legt helder uit welk experiment Virginia met elk boek weer aanging. Want op haar lauweren rusten, of twee keer hetzelfde doen, dat was er niet bij.

4.       Een leven beschrijven: Harris als biograaf

Alle lof gaat ten slotte naar Alexandra Harris. Die op amper 150 pagina’s een zeer verhelderende biografie heeft geschreven. Geen gemakkelijke opgave, want er bestaan meters en meters detailstudies over Virginia Woolf. Deze microscopische aanpak heeft zijn nut, stelt Harris, maar zelf hanteert ze de telescoop. Doelbewust gaat ze op zoek naar patronen en rode draden in Virginia’s leven. En daar slaagt ze wat mij betreft goed in. Ze gaat af en toe heel verhalend te werk, laat Virginia ook zelf aan het woord, maar verliest zich nooit in details.

Het enige nadeel van deze bijzonder vlot geschreven biografie is misschien dat je als lezer wel heel gemakkelijk door het boek wordt geloodst. Aantekeningen maken is nodig, anders is het uit voor je er erg in hebt. Maar, zoals Cruijff als sprak” elk nadeel heb zijn voordeel”, want met dit boek schreef ze wel een zeer behapbare inleiding op Virginia’s werk. En  tante heeft nu nog meer zin gekregen om deze zomer een paar boeken van Virginia te gaan lezen. Mmm, met welk boek zal ik eens beginnen?

zondag 21 april 2013

Achilles’ eer



Hoe de Ilias-bewerking van Madeline Miller tante eerst verblijdde, toen verontrustte, maar uiteindelijk tot inzicht bracht. Oftewel: hoe ver mag een bewerking gaan? Een toer door de boekenkast.

het ene boek leidt naar het andere

Toen Anna een hele tijd geleden een lofzang hield op Achilles song wist tante meteen wat haar te doen stond: dit boek lezen. Want als scholier studeerde ze nog Grieks, en boog ze zich op zonnige middagen vol verwondering over de Odyssea. Het was vooral genieten van de prachtige epiteta ornantia “de blankarmige Hera, “de helmboswuivende Hector”, de “snelvoetige Achilles”. Hoog tijd dus om die verloren kennis weer eens op te poetsen en te herontdekken.


 
Een prachtig liefdesverhaal


De Ilias in een moderne jas
Het was echt genieten deze week, want Miller schreef een meeslepend boek. Achilles en Patroklus vormen in haar versie een ontroerend liefdespaar. Samen opgegroeid kennen ze elkaar door en door, en bouwen ze aan een attentvolle, tedere relatie. Thetis, de moeder van Achilles, en een ietwat akelige zeenimf, is het niet eens met haar zoons keuze. Haar Achilles is immers een roemrijke toekomst beloofd. Als beste van de Grieken zal hij de Trojaanse oorlog winnen en als held de geschiedenis ingaan. Dat hij daarbij zal sterven, staat vast, maar zolang Hector van Troje leeft, kan Achilles niets gebeuren. 

Achilles en Patroklus weten de schikgodinnen tien jaar lang om de tuin te leiden, maar uiteindelijk blijkt het lot onontkoombaar, zoals steeds. Achilles’ eer wordt gekrenkt, en wrokkig besluit hij niet langer te strijden, met de dood van vele Grieken tot gevolg. Patroklus komt voor een hartverscheurende keuze te staan: kiezen voor de eer van zijn grote liefde, of voor het leven van zovele Grieken, en van Briseïs, een slavin die een soort “soulmate” van hem is geworden.
Schrijnend, menselijk en droevig. Hoe ver eergevoel en wrok iemand drijven kan. En hoe een goed idee radicaliseert en uiteindelijk contraproductief wordt. Hoe geliefden kunnen veranderen en hoe het lot uiteindelijk steeds wint.

Maar, hoe zat het nu echt?

Het origineel, of ook weer niet?
Ontroerd klapte tante het boek dicht. Dit smaakte naar meer, en zoals het een historica betaamt ging ze op zoek naar de bron. Dus pakte ze de vertaling van de Ilias uit de boekenkast op zoek naar duiding. 

Maar, hoe verwonderlijk, het verhaal begon plotsklaps midden in Millers versie. De aanloop, de kindertijd, de ontluikende liefde en de fratsen van Thetis ontbraken volledig. En, bovendien, een heleboel bleek gewoonweg niet te kloppen. Dat de warme relatie tussen de twee mannen niet in detail beschreven stond, daar kon tante nog wel inkomen. Maar een aantal cruciale passages in het verhaal waren helemaal anders. Ook spelen de goden in het origineel een veel grotere rol en is ook het einde verschilt want in de Ilias is Patroklus een strijder en een held.

Kortom: een teleurstelling. Want tante had eerder bij Penelope nog genoten van de slimme twists aan een oeroud verhaal. Bij Atwood klopt het namelijk wel allemaal als een bus. Daar heeft de auteur heel subtiel een aantal zinnen op een alternatieve manier gelezen en daar een nieuw verhaal rond gesponnen. En daar houdt tante wel van. 

Ze verwachtte dat Miller hetzelfde zou doen, maar die koos radicaal voor nieuwe accenten, voor veranderingen en bijkleuringen. En tante vroeg zich ietwat geïrriteerd af of zoiets volgens haar eigenlijk wel kon. Een aantal nieuwe elementen waren namelijk helemaal niet nodig voor het verhaal. Was het niet nog beter geweest als het allemaal klopte? Moesten alle puzzelstukjes niet in elkaar vallen?

Duiding door professor Ijsseling

Een netwerk van verhalen
Maar toen dacht tante terug aan de mooie jaren op de universiteit, toen ze colleges volgde bij professor Ijsseling. Die zo prachtig kon vertellen over de rol van Griekse goden in de hedendaagse filosofie en daar ook een fantastisch boek over schreef (een aanrader). 

Een heel hoofdstuk gaat over Troje en Achilles en de minzame auteur legt fijntjes uit dat we de Trojaanse verhalen niet als een bijbel moeten beschouwen. Het is geen eenheid, maar een fijnmazig netwerk van verhalen die allemaal naar elkaar verwijzen. Die elkaar aanvullen, maar soms ook tegenspreken. Die wortelen in een eeuwenlange mondeling doorgegeven traditie en waarop ook na de Ilias nog verder werd geborduurd. Er kwam eigenlijk nooit één definitief verhaal “het verhaal”, maar de betovering zat hem in de intertekstualiteit van meanderende nevenverhalen.

Voor de Grieken vormde dit materiaal dan ook geen logische eenheid, geen dogma. En sprongen ze er vrij mee op. Ze pasten het aan, actualiseerden het, gaven het een draai waar nodig. En breiden er zo nu en dan nog eens een stukje aan. Als je het zo bekijkt is Miller eigenlijk heel erg historisch verantwoord aan het werk gegaan. En voegt haar roman een nieuwe laag  toe aan het bestaande netwerk. Een nieuwe visie, een nieuwe interpretatie. Die soms botst en ook heel vaak gelijkloopt met de andere versies.

Slotsom: positief

Millers verhaal is vooral zeer menselijk. Het aantal goden is sterk verminderd en het zijn de personages Achilles en Patroklus die het onheil over zichzelf afroepen. Zij zijn niet langer een speelbal van ongrijpbare krachten, van woeste goden die doen wat ze willen. In deze versie spannen de krijgers de goden voor hun karretje en manipuleren hen voor hun eigen strategie. Gedreven door liefde, eergevoel en wrok doen mensen vreemde dingen, ook vandaag. En dat maakt dat boek ook weer zo boeiend.(Want eergevoel is weer erg in, niet? Denk maar aan imagoboosters als facebookduimen en retweets.)

Een boek met een oud verhaal en een hedendaagse betekenis. Een verhaal om even stil van te worden en  om lang over na te denken. Tante vond het in elk geval heerlijk om weer even tussen de oude Grieken te vertoeven en herinneringen op te halen. Ze hoopt dat Miller al aan de Odyssea is begonnen, ondertussen!

woensdag 17 april 2013

Pears maakt kunstgeschiedenis spannend


Oftewel: de Rafaël affaire is een intelligente en historisch verantwoorde thriller vol musea, kunstzwendel en espresso’s, ideaal voor een avondje zinvolle ontspanning.

Speurders nemen de tijd voor espresso

Een paar dagen geleden was tante wat pipsjes. Ze wilde wel lezen, maar het moest vooral ontspannend zijn. Entertainend maar niet flauw. Intelligent maar niet breinbrekend. Ja, ja, makkelijke tante.

Gelukkig kwam de bibliothecaris met een lumineus idee. Herlees de thrillers van Iain Pears. Schrijver van geweldige en superdoorwrochte romans als De droom van Scipio en het Goud van de waarheid. Die ter afwisseling en verhoging van de wereldvreugde ook lichter werk uit zijn mouw schudde over de Italiaanse kunstbrigade. 

 

Tante had maar een half woord nodig, greep een boek, en dook in het zonnige, kunstrijke Rome. Daar merken patertjes dat ze onwetend een kunstwerk van onschatbare waarde hebben doorverkocht. Want onder een matig heiligenportret zat een schitterend werk van Rafaël verstopt, intrigerender dan de Mona Lisa. De vondst van dit kunstwerk is dan ook wereldnieuws en na veel gehakketak koopt de Italiaanse staat het voor een miljoenenbedrag.

Maar, is het schilderij wel echt, vraagt de kunstbrigade zich al snel af. Zeker als er een dode valt. De bevallige Flavia trekt op onderzoek uit en krijgt assistentie van de Britse kunsthistoricus Jonathan. En al snel is het hek van de dam. 

Er zijn vijf redenen waarom tante dit een geweldig boek vindt (en waarom u het dus gewoon moet lezen):

Geen superhelden, wel veel kunst
  1.  Dit boek heeft geen superhelden. Geen bovenmenselijke types die moeiteloos uit helikopters springen of op het nippertje aan een explosie ontkomen. Maar sympathieke onderzoekers die archieven uitpluizen en af en toe over hun eigen benen struikelen 
  2.  De biotoop van het boek is geloofwaardig en herkenbaar voor tante. Niet dat zij bij kunstvervalsers over de vloer komt of goede maatjes is met de maffia, maar wel omdat ze beroepsgewijs wel eens een museumdirecteur spreekt of van gedachten wisselt met een restaurator. En ook de academische context van kunsthistorici is haar niet volledig vreemd. Een feest van herkenning dus, Pears weet duidelijk waar hij over spreekt. 
  3.  Er heerst rust. Geen race tegen de klok of wilde achtervolgingen, maar onderzoekers die met aandacht fichenbakken doorploegen. Die regelmatig lekker gaan eten of neerstrijken op een terrasje voor een goede espresso. Het helpt dat dit boek speelt in een tijd zonder GSM, emails en twitter, maar toch, de kalmte is opvallend. 
  4.  Pears knipoogt naar de kleine kantjes van onze medemens. Eerzucht bijvoorbeeld, of academische hoogmoed. Maar evenzeer machtspolitiek en de rol van de media. Nooit cynisch en hard, wel met Britse flegmatiek. Zo lezen we het graag. 
  5.   Er is geen zeemzoete romantiek. Natuurlijk vallen Flavia en Jonathan uiteindelijk voor elkaar, maar er wordt niet “verzonken in diepblauwe ogen”, de aantrekkingskracht is niet onweerstaanbaar en er zit ook geen hevige passie in. Wel twee verwante zielen die elkaar wonderwel aanvullen. Een romance met toekomst dus.

Kortom: Pears vs Brown: 5-0. Wie een avondje intelligent wil ontspannen weet wat te doen!

vrijdag 12 april 2013

Murakami’s schaap


Oftewel: hoe een machtsbelust schaap, betoverende oren en andere magische toestanden een leesclub konden boeien

een verloren schaap met mythische kracht
Toen tante zich jaren geleden aansloot bij de leesclub, was één van de eerste leestips die ze er opduikelde Haruki Murakami. Vol enthousiasme schafte tante zich daarop de Opwindvogelkronieken aan. Want, neen, zij is niet bang van dikke pillen. Dapper doorworstelde ze 500 pagina’s, om dan tot de conclusie te komen dat het einde haar niet veel kon schelen. En omdat zoiets nooit een goed teken is, verdween het boek uiteindelijk on-uitgelezen en met een diepe zucht in de boekenkast.

Dit maar om te zeggen dat ondergetekende niet meteen in jubelkreten uitbarstte toen Murakami weer opdook in de leesclub.  Maar veto’s inzetten is nu ook weer zo cru. En een leesavond missen leek evenmin een optie. Dus, tante vermande zichzelf, en besloot Haruki een tweede kans te geven. Is dat niet schoon?

Nu werd ze daarin gesterkt door blogger Judith die stelde dat tante vooral niet moest proberen Murakami te snappen. Gewoon meegaan op zijn tempo, was haar advies. Tante schoof dus voor één keer haar leesnota’s aan de kant, schakelde de analysestand uit en las gewoon, zonder na te denken. En het was heerlijk! Ontspannend en bevreemdend. Maar vooral een ware herontdekking.


Ook de andere leesclubdames waren in de wolken. Velen hadden net als tante even wat weerzin moeten loslaten, en interpretatiedrang moeten onderdrukken. Maar allen ontdekten ze het aangename ritme in de tekst. Een beeldende manier van schrijven bovendien. Die er op de één of andere manier voor zorgt dat je moeiteloos meegaat in toch wel bizarre situaties.


niet interpreteren, gewoon meegaan op het ritme
Het boek draait om de zoektocht naar een magisch schaap. Dit mythische schepsel is een soort oerkracht die in mensen kruipt om zijn doel te realiseren: het uitbouwen van een autoritaire staat. Eenmaal “ontschaapt” blijven zijn voormalige dragers verweest achter. Hun levensdoel en energie verdwijnt, en meestal sterven ze niet lang daarna.

De naamloze hoofdpersoon wordt min of meer verplicht dit schaap te gaan zoeken. Hij krijgt daarbij hulp van een meisje met prachtige oren. Doorgaans verbergt ze deze, maar als ze haar haren opsteekt, klaart de wereld helemaal op. Via deze oren is ze ook bijzonder gevoelig voor allerlei krachten. Waardoor ze vaak geniale voorspellingen kan doen.

Oren zijn trouwens een belangrijk thema in Murakami’s werk, wist iemand te vertellen, ze verwijzen naar het belang van luisteren. En inderdaad, de dame in kwestie is één van de weinigen die echt luistert naar de hoofdpersoon. 

Ook typisch Murakami is dat zijn personages nooit een naam krijgen. In dit boek komen enkel onpersoonlijke benamingen voor zoals “de vriendin”,  “de leider” of  “de schaapman”. Is dat "elckerlyck"-achtig: en kunnen zij dus op iedereen slaan? (fijn detail: de enige die wel een naam krijgt is de kat, zij heet – heel lief – “sardientje”). 

De “rat” in het verhaal is een oude vriend van de hoofdrolspeler. Iemand die al eerder het schaap op het spoor kwam en die naar aller waarschijnlijk nu door het schaap wordt bewoond. Hij is echter spoorloos verdwenen en zo wordt dit boek, net als de opwindvogelkronieken, een soort queeste naar een verloren vriend.

En dus moet onze held zijn vaste stek verlaten en op reis trekken. En zoals veel van Murakami’s figuren is actie ondernemen niet zijn sterkste kant. Enige indolentie is hem niet vreemd, en er wordt dan ook heel wat rondgehangen en ter plaatse getrappeld. 

Bevreemdend, dat getreuzel, maar op de een of andere manier ook erg boeiend. Het boek wegleggen bleek immers niet zo makkelijk. Kwam dat door het ritme van de tekst? Door de mooie beelden? Door de poëtische beschrijvingen? Of door de herkenbaarheid, ondanks alle magie? Het boek doet immers toch heel Europees aan. Weinig kimono’s of theekopjes te bekennen, maar wel veel whisky en jazz. En bovendien een heel realistische schrijfstijl, zonder barokke kunstgrepen of andere ingewikkelde toestanden. (hierbij meteen ook even hulde voor Jacques Westerhoven, de vertaler, die tevens een zeer boeiend en informatief nawoord schreef)

De grootste Murakami-fan uit de groep beweerde trouwens stellig dat zijn boeken nog beter worden naarmate je meer van hem leest. Pas dan vallen terugkerende thema's als de oren en de personen die zomaar verdwijnen op. Is dat niet altijd zo, vroegen we ons af. Zouden we niet beter al het werk van een auteur doornemen en niet zomaar van de ene schrijver naar de andere hoppen? Eén schilderij van een kunstenaar zegt vaak ook niet zoveel: het werk krijgt maar betekenis als deel van een groter oeuvre. Geldt dat niet voor alle kunst en dus ook voor boeken?

Aan het slot van de avond probeerden we ook nog even kritisch te zijn. Zo was het einde wel een beetje afgeraffeld en bleek het verhaal, als je erover nadacht helemaal niet te kloppen. Maar niemand die dat erg vond. In tegendeel, we hebben zin gekregen om meer van Murakami te lezen. En, is dat nu juist niet het doel van een boekenclub?