zondag 19 oktober 2014

Boekenclub test werkvorm uit op David Sedaris



David Sedaris is groot in Amerika. Boven de Moerdijk stak Aaf Brandt Corstius ook al de loftrompet. Wat een observatievermogen! Wat een humor! En vooral: wat een spitsvondigheid! Hele volksstammen barsten blijkbaar al in lachen uit bij de lotgevallen van zijn buitenissige familieleden. En tja, wat denk je dan als boekenclub? Dit moeten we lezen! En dus schaften we ons een bundeltje kortverhalen aan.

De werkvorm

Eerlijkheidshalve moeten we bekennen dat gesprekken op de boekenclub regelmatig afdrijven. Vrije associatie heet zoiets. Meermaals stelden we aan het einde van de avond vast dat er eigenlijk maar weinig over het boek was gezegd. En hoe gezellig de zijpaden ook hadden gekronkeld onderweg, we hadden toch steevast het gevoel dat de diepgang ontbrak. 

Kortom: een “werkvorm” drong zich op, en aangezien ondergetekende professioneel werkvormenadviseur is, nam zij de uitdaging aan. Niet dat ik het mezelf erg moeilijk heb gemaakt, want eenvoud siert, ook bij werkvormen. Ik bedacht dus twaalf vragen over het boek en schreef ze op mooie kleine briefjes. Er zaten natuurlijk klassiekers bij, zoals:

  • Dekt de titel van het boek de lading?
  • Zit er een structuur in het boek?
  • Wat verklaart het succes van dit boek?

Maar ik bedacht ook creatievere linkjes naar de inhoud. Zo gaf Sedaris’ werk onder andere aanleiding tot deze vragen:

  • Om gesprekjes uit te lokken vraagt David op reis altijd naar de plaatselijke wapenwet of naar de manier waarop mensen kerstmis vieren: heb je nog suggesties voor goede reisvragen?
  • Heb je zelf al eens gebedeld. En geef je wel eens geld aan een bedelaar? 
  •  Hoe komt het dat bepaalde kinderen in de klas populair zijn, hoewel ze niet echt heel mooi of superintelligent zijn?

Alle briefjes kregen een esthetisch verantwoord  stickertje en verdwenen in “de pot”. Op de leesclubavond trokken we om beurt dan een vraag. Simpel toch?

Het verloop

Al bij de eerste vraag bleek dat de immers eendrachtige leesclub tweespalt vertoonde. Tot onze ontsteltenis bleken de Nederlandse vertaling en het zogezegde Engelse origineel slechts twee verhalen gemeenschappelijk te hebben. 

 Nu zou je denken dat zoiets een serieuze domper op de feestvreugde geeft en verdere bespreking nagenoeg onmogelijk maakt, maar niets was minder waar. Het gaf zowaar  aanleiding tot een heel apart en gezellig sfeertje. We konden elkaar namelijk bijpraten vertellen over de verdere evolutie van de hoofdrolspelers in het boek. De hilarische Griekse oma, de zus met controledrang en de stinkend rijke tante kenden we allemaal. En net zoals bij vage kennissen het geval is:  we waren zeker geïnteresseerd meer roddelpraatjes over hen te vernemen.

Mondeling bleken de exploten van de Sedarisclan trouwens veel meer op de lachspieren te werken dan in geschreven vorm. Tijdens het lezen hadden we wel eens gegrinnikt, maar bulderlachen was er niet bij. Op de leesclubavond des te meer. (maar dat lag misschien ook aan de wijn en het uitmuntende gezelschap.)

Ons oordeel

David Sedaris krijgt van ons geen standbeeld, zoveel is duidelijk. Het boek bleek achteraf leuker dan tijdens de rit. Want de verhalen zijn soms wel erg marginaal en platvloers. Grofgebekte broers, onhygiënische zussen en een heel aantal ranzige details die we echt niet hadden willen weten, weerhielden ons ervan dit boek vlotjes uit te lezen.

“De bijdragen zijn van wisselende kwaliteit” heet dat dan officieel. Want het moet gezegd: een aantal verhalen stak met kop en schouders boven de rest uit. Zijn analyse van Sinterklaas en Zwartepiet is in de huidige Piet-gate een echte aanrader. Een stemmig verhaal over een bioscoopbezoek met zijn vriend wist ons te ontroeren. En Davids analyse van het fenomeen “populaire kinderen in de klas” was bitterzoet en herkenbaar. 

David Sedaris kan dus echt wel wat. Hij heeft een scherpe blik, maar af en toe heeft hij ook een soort waas voor de ogen, meenden we. Zou schrijven voor hem ook niet een beetje therapie zijn, vroegen we ons af? Een manier om dingen die hij nog niet helemaal heeft verwerkt vorm te geven? De vraag is dan of wij daar wel deelgenoot van willen zijn.

De slotsom is dan ook dat dit boek niet echt lang zal blijven plakken. Moet u het lezen? Volgens ons in elk geval niet.

Het vervolg van de werkvorm

Hoewel een aantal leden groen wegtrok bij het lanceren van de werkvorm, de ogen liet rollen en diep zuchtte, heeft iedereen flink meegedaan. (waarvoor mijn oprechte dank!) Ik denk ook wel dat ik kan concluderen dat het resultaat had: we hebben de hele avond over het boek gepraat. En elk zijpad dat we insloegen had een link met Sedaris. En we hebben heel wat fijne verhalen en spitse opinies met elkaar gedeeld.

Algemeen gejubel dus. En daarom hebben we afgesproken dat we de volgende keer weer een pot gaan maken. Maar dan wel eentje waar iedereen aan bijdraagt. We gaan proberen allemaal één of twee vragen te bedenken. Ik ben nu al benieuwd welke leuke gesprekken dat zal opleveren!

zaterdag 11 oktober 2014

Pelgrimeren naar Compostella – Jean-Christophe Rufin




Soms wil ik er even de stekker uittrekken. Niet uit het leven, maar wel uit telefoon en mailbox. Dan neem ik me voor mijn wandelschoenen vast te knopen, de deur achter me dicht te trekken en langzaam te verdwijnen in een nevelige horizon. Maar op de drempel van die idylle grijpt de realiteit (en vooral de verantwoordelijkheidszin) mij bij de kraag. En dus blijf ik thuis, met in plaats van praktische wandelschoenen kleurrijke pantoffels aan mijn voeten. Reizen doe ik dan mentaal, in boeken. En dus pelgrimeerde ik de voorbije week vanuit mijn luie zetel helemaal naar Santiago de Compostella.

Doorbijter van dienst is de Franse schrijver Jean-Christophe Rufin. Enkele jaren geleden vertrok hij op bedevaart. Niet uit religieuze ijver, maar uit pure nieuwsgierigheid. En ook een beetje om aan de drukte te ontsnappen. Zijn boek vormt de eerlijke neerslag van zijn reis, een tocht met ontroerende hoogtepunten, maar ook met ronduit saaie wandelpaden en vervelende medereizigers.

Inderdaad, het ideaalbeeld van een louterende, levensveranderende pelgrimage blijft niet volledig overeind in dit boek. Grote stukken van de reis zijn ontluisterend in hun banaliteit, of juist in hun toeristische exploitatie. Hoe dichter men Compostella nadert, hoe meer de tocht verzandt in een commercieel circus. 

De loutering zit in het wandelen en niet in de bestemming, zoveel is duidelijk. En Rufin beschrijft haarscherp hoe hij verschillende fases doorworstelt. Zo duurt het toch een week of twee voor zijn plannenmakende geest is stilgevallen. Tijdens zijn bezoek aan oeroude kloosters maakt hij vervolgens een soort van christelijk-religieuze fase door. Om zich uiteindelijk te realiseren dat deze pelgrimstocht eerder een soort Boeddhistische staat veroorzaakt en een mens bevrijdt van gedachten, ijdelheid en materialisme. (al geeft hij ook meteen toe dat pelgrims constant moeten strijden tegen een ander soort van ijdelheid, een soort trots op de eenvoud “die haast een zonde van hoogmoed wordt”)

Na thuiskomt werkt het effect van de camino nog enkele weken door, om dan weer op te lossen in de bruisende drukte van de grootstad Parijs. Eén aspect bleef echter het langste hangen: “de filosofie van de mochila”. Of te wel: de wijsheid van de rugzak. Op lange tochten mag de rugzak niet te zwaar wegen, en dus neemt de pelgrim onderweg steeds meer afscheid van materiële lasten. Veel spullen die we meezeulen hebben immers enkel als functie angsten te bezweren. Die vrees in de ogen kijken en die ballast van je afwerpen paste Rufin later ook toe op zijn dagelijks bestaan. Projecten, verplichtingen en objecten die eerder een last waren dan een vreugde, voerde hij genadeloos af. Zo werd de rugzak van zijn leven lichter en zijn bestaan rustiger.

Met de bovenstaande paragraaf maak ik van Rufin een soort zweverige goeroe, terwijl hij dat allerminst is. Hij blijft vooral erg nuchter bij de hele caminohysterie. Dat realisme zat mij af en toe behoorlijk in de weg. Alsof de pelgrimage constant door een niets verhullend, koel Led-licht werd beschenen, terwijl ik eerder een warme schemerlamp had verwacht. 

En dat is ook de reden waarom ik uiteindelijk concludeer dat dit boek niet helemaal waarmaakte waarop ik, pantoffelwandelaar, hoopte. Deze romantische ziel had in haar luie zetel graag iets meer weggedroomd en iets meer gemijmerd. Want de kans dat ik ooit echt mijn wandelschoenen aantrek voor een reis naar Compostella is met dit boek toch een beetje kleiner geworden.